Persoonlijk pessimisme

Over Wijnaendts Francken en Schopenhauer

Het pessimisme is een persoonlijke filosofie. En het pessimisme van Arthur Schopenhauer al helemaal. Want natuurlijk schreef de Duitse denker over het subject en het object en de wil en de voorstelling – maar hij schreef óók over zijn eigen muzieksmaak en zijn eigen dagindeling en zijn eigen afkeer van kaartspelletjes. Je kunt zeggen: boeken van Arthur Schopenhauer zijn vaak ook boeken over Arthur Schopenhauer.

Zoiets stelt ook de Nederlandse publicist Cornelis Johannes Wijnaendts Francken in Arthur Schopenhauer. Een levensbeeld uit 1905. Hij beschrijft het ‘sterk persoonlijk karakter’ van Schopenhauers filosofie daarin als volgt:

Voorbeelden van dat sterk persoonlijke karakter zijn makkelijk te vinden. Want als Schopenhauer zeurt over vrouwen, dan zeurt hij stiekem vooral over zijn eigen moeder. Als Schopenhauer klaagt over de geestelijkheid, dan klaagt hij stiekem vooral over de geestelijkheid van zijn oude Engelse kostschool. En als Schopenhauer het genie omschrijft, dan omschrijft hij stiekem vooral zichzelf.

Overal maakt Schopenhauer zijn eigen wezen tot de maatstaf der dingen, zoals Wijnaendts Francken het noemt. 2 En hoewel dat heel vaak heel interessant is, gaat het soms ook wel een beetje vervelen. In de woorden van de auteur:

Toch kan Schopenhauer daar maar weinig aan doen. Volgens Wijnaendts Francken is het pessimisme immers altijd een subjectieve bedoening. 4 Pessimistische denkers vertrekken namelijk niet vanuit een verstandelijke redenering, maar vanuit een gemoedstoestand of een gevoel of een sentiment. Dat kán simpelweg niet anders: het pessimisme doet uitspraken over de waarde van het leven, en uitspraken over de waarde van iets zijn per definitie persoonlijk. Zoals Wijnaendts Francken samenvat:

En daar komt nog iets bij. Wijnaendts Francken vindt het – net als Kuno Fischer eerder en Patricia De Martelaere later – namelijk nodig om erop te wijzen dat Schopenhauer zélf helemaal niet zo’n verkeerd leventje had. Ga maar na: de meestermopperaar was slim, bezat een aardig vermogen, had veel vrije tijd en genoot een goede gezondheid. Misschien, zo stelt Wijnaendts Francken zelfs, was Schopenhauer wel een van de gelukkigste mensen die ooit hebben geleefd. 6

Deze zijsprong voelt vaak als een halfbakken kritiek op het pessimisme. De achterliggende gedachte lijkt immers dat je het leven alleen slecht mag vinden als ook jouw leven slecht is. Filosofisch gezien snijdt die eis geen hout. Een ethicus kan bijvoorbeeld ook tegen marteling zijn, zonder zelf ooit een duimschroef te hebben gevoeld. Bovendien: als Schopenhauer wél een ellendig bestaan had gehad, dan zou men hem waarschijnlijk weer hebben verweten dat hij zijn eigen wezen tot de maatstaf der dingen had gemaakt. Met andere woorden: het is niet goed of het deugt niet, je zou er bijna pessimist van worden.

Eerlijk is braaf: Wijnaendts Francken volgt niet precies deze route. Hij stelt weliswaar dat Schopenhauer best een oké leven had en dat echt groot leed hem bespaard is gebleven, maar hij stelt ook dat Schopenhauer juist daardoor zijn pessimisme zo goed heeft kunnen uitwerken. In de woorden van Wijnaendts Francken zelf:

Schopenhauers pessimisme is dus niet gebaseerd op een echte filosofie en niet gebaseerd op het echte leven. 8 Waarop dan wel? Volgens Wijnaendts Francken hangt iemands oordeel over het leven vaak samen met iemands oordeel over de mens. En een pessimistisch oordeel over het leven hangt vaak samen met een misantropisch oordeel over de mens. Logisch ook: wie mensen haat, terwijl hij zelf toch ook een mens is, kan haast niet vrolijk door de dag gaan. Net zo bij Schopenhauer, stelt Wijnaendts Francken, want diens sombere voorstellingen en bittere toon vloeien voort uit zijn mensenverachting. En het pessimisme biedt daar vervolgens troost tegen. Zoals de auteur schrijft:

Misschien heeft Wijnaendts Francken wel gelijk. Maar toch blijft de vraag hoe uniek dit allemaal is voor pessimisme in het algemeen en voor Schopenhauer in het bijzonder. Want is niet in nagenoeg elk boek de hand van de auteur te herkennen? Wie Arthur Schopenhauer. Een levensbeeld leest, komt immers ook wel iets te weten over de schrijver ervan.

Wijnaendts Francken lijkt bijvoorbeeld dol op historische toevalligheden. Ik ken in elk geval geen andere biografie die met zoveel voelbaar plezier opmerkt dat de gezinssituatie van Goethe leek op de gezinssituatie van Schopenhauer; dat Schopenhauers zus Adele precies op de honderdste gedenkdag van Goethe werd begraven; dat Hobbes, Locke en Kant net als Schopenhauer ongehuwd zijn gebleven; of dat Hume, Spinoza en Leibniz net als Schopenhauer nooit een academische leerstoel hebben bekleed. 10 11 12

Ook lijkt Wijnaendts Francken dol op uiterlijke beschrijvingen. Hij schrikt er bijvoorbeeld niet voor terug op Schopenhauers vader ‘hoekig van gestalte’ en ‘lelijk’ te noemen; om Schopenhauers moeder ‘geen bepaalde schoonheid’ maar ’toch aantrekkelijk van uiterlijk’ te noemen; om Schopenhauers zus ‘afstootend en tegen zich innemend’ te noemen en om Arthur Schopenhauer zelf ‘ongetwijfeld zeer karakteristiek’ te noemen. 13 14 15

Belangrijker dan deze geestige eigenaardigheden is iets anders. Tegen het einde van Arthur Schopenhauer. Een levensbeeld geeft Wijnaendts Francken namelijk een weerwoord op het pessimisme. En daarbij lijkt hij zijn eigen gemoedstoestand of gevoel of sentiment onder woorden te brengen. Hij schrijft namelijk:

Het is interessant om op te merken dat Wijnaendts Francken deze stellingen niet onderbouwt. Hij proclameert ze tot regels zonder uitzondering. Hij verheft ze tot algemene en onomstotelijke waarheden. Maar hij gaat nergens na of het beweerde ook van toepassing is op anderen. Inderdaad: precies zoals hij Schopenhauer verwijt.

Het pessimisme is een persoonlijke filosofie. En het pessimisme van Arthur Schopenhauer al helemaal. Maar misschien kán dat ook niet anders. Wellicht is namelijk geen enkele filosofie een met onbetwistbare feiten gestaafde wetenschappelijke theorie, maar slechts de tot algemene oordelen verwerkte en in een filosofisch kleed gehulde uitdrukking van individuele levensgewaarwording. En misschien gaan boeken van Arthur Schopenhauer inderdaad vaak ook over Arthur Schopenhauer – maar gaan boeken over Arthur Schopenhauer soms ook over Cornelis Johannes Wijnaendts Francken.

Over:
Wijnaendts Francken, C.J. (1905)
Arthur Schopenhauer. Een levensbeeld.
Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon.

Voetnoten
  1. Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.115. ↩︎
  2. ‘Is men eenmaal nauwkeurig bekend met Schopenhauer’s leven, dan wordt men in zijn werken telkens getroffen door passages en beschouwingen, die blijkbaar geheel uit eigen persoonlijke ervaring stammen, maar die ons, hetzij dan te recht of ten onrechte, als algemeengeldende waarheden worden voorgehouden.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.116. ↩︎
  3. Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.116-117. ↩︎
  4. ‘Het pessimisme is de wijsgeerige vertolking van een bizonder bekijk der dingen, uit hoofde van een bepaalde overheerschende gemoedsstemming. De wijze van zien draagt daardoor een uiterst subjectief karakter; zij vertolkt de waarheid slechts voor gelijkvoelenden, maar voor andersgezinden is zij een schromelijke misvatting. De pessimistische stemming vertegenwoordigt een psychologisch feit, over welks bestaan niet te twisten valt; een gevoel, dat men kan analyseeren en verklaren, betreurenswaardig vinden of prijzen, maar welks bestaan niet voor weerlegging vatbaar is; een sentiment, dat wellicht kan worden weggenomen door verandering van omstandigheden en door uitwendige invloeden, maar nimmer door verstandelijke redeneeringen. Gelijk zoo dikwijls, zoo wordt ook hier de beslissing omtrent de waarde van het leven bepaald door het gevoel, hetwelk het eindoordeel velt en dat, hoewel uit den aard der zaak strikt individueel van karakter, allicht zijn uitspraken gaat beschouwen en wil laten gelden als algemeene objectieve waarheden. Niemand evenwel is in staat de voor- en nadeelen des levens zuiver tegen elkander af te wegen; want deze sluiten waarderingen in, die steeds persoonlijk blijven.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.134. ↩︎
  5. Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.135. ↩︎
  6. ‘Behalve in zijn studie en zijn denken, vond Schopenhauer troost in zijn pessimisme. Maar die wereldbeschouwing was bij hem geenszins een gevolg van ongelukkige levensomstandigheden. […] Inderdaad, men mag zeggen dat in al die opzichten Schopenhauer een van de gelukkigste menschen is die ooit geleefd hebben, en die zich dan ook de voorrechten welke hij deelachtig was, zeer wel bewust was, zich er innig over verheugend en herhaaldelijk zijn genie, zijn onafhankelijkheid, zijn gezondheid, zijn werken, ja zelfs zijn uiterlijk met welgevallen prijzend en verheerlijkend.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.108. ↩︎
  7. Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.109. ↩︎
  8. ‘Zijn pessimisme was noch het gevolg van persoonlijke levenservaring, noch het uitvloeisel van zuiver verstandelijk-critische overweging, maar stamde veeleer uit een van jongs af aangeboren aanleg, nog bevorderd door een eenzelvig en weinig actief leven. Eerst secundair voert hij, om zijn gevoel van ,,Weltschmerz’’ voor zichzelven te verklaren en te rechtvaardigen, allerlei verstandelijke beweeggronden aan, die hem er schijnbaar primair toe geleid hebben. Ook hier weer bleek het verstandsleven onderworpen / aan den wil.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.100-101. ↩︎
  9. Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.101. ↩︎
  10. ‘Uit al die ellende werd [Schopenhauers zus] verlost, toen zij den 25sten Aug. 1849, ruim tien jaren na haar moeders dood, in Bonn stierf en daar juist op den honderdsten gedenkdag van Goethe’s geboorte ter aarde werd besteld.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.8. ↩︎
  11. ‘Terecht wijst Moebius op de merkwaardige overeenkomst in dit opzicht tusschen Goethe en Schopenhauer. Ook Goethe’s vader huwde op rijpen leeftijd een jong en levenslustig meisje, dat hem wel eert maar niet liefheeft; en ook dáár ontsproten uit die verbintenis een geniale zoon en een goedhartige en onbeduidende, zwaarmoedige en leelijke dochter, wier verhouding tot haar broeder niet zeer innig mocht heeten.’ – Wijnaendts Francken. C.J. (1905)p.5. ↩︎
  12. ‘Het is dan ook inderdaad opmerkelijk, dat nagenoeg alle wijsgeeren van beteekenis: Hobbes, Locke, Hume, Spencer, Cartesius, Malebranche, Spinoza, Leibniz, Kant ongehuwd gebleven zijn, gelijk een / ander punt van overeenkomst met Schopenhauer hierin bestaat, dat geen van die allen, met uitzondering van kant, een academischen leerstoel bekleed hebben.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.73. ↩︎
  13. ‘De jonge vrouw was klein van stuk; en hoewel geen bepaalde schoonheid, toch aantrekkelijk van uiterlijk. De echtgenoot daarentegen was groot en hoekig van gestalte en zóó lelijk, dat toen Schopenhauer geboren was, de boekhouder op het kantoor / minder beleefd opmerkte: ,,Als het kind op zijn papa gaat lijken, moet het wel een mooie baviaan worden.’’’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.4-5. ↩︎
  14. ‘Geleek haar broeder in uiterlijk en gestalte veel op zijn moeder, zij zelve was groot en leelijk als haar vader. (…) Veroorzaakt werd dat afstootend en tegen zich innemend uiterlijk o.a. door groote uitpuilende oogen en een breeden mond met lange tanden.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.6-7. ↩︎
  15. ‘De kop van Schopenhauer was ongetwijfeld zeer karakteristiek.’ – Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.148. ↩︎
  16. Wijnaendts Francken, C.J. (1905) p.133-134. ↩︎