Vandenabeele, Bart (2025) Kunst op leven en dood. Schopenhauer tegen Nietzsche. Kalmthout: Pelckmans Uitgevers.
Inleiding
Arthur en Nietzsche zien de wereld als chaos, maar geven niet het geloof in waarheid op en zijn niet onredelijk.
Plato was tegen kunst, omdat die particuliere afbeeldingen schept, terwijl mensen zich juist moeten richten op tijdloze Ideeën.
Arthur zegt echter dat kunst Ideeën afbeeldt (al ziet hij ze niet als wezenlijke bestanddelen van de werkelijkheid, maar als objectivatievormen van de wil).
Nietzsche ziet de betovering van afbeeldingen niet als nefast, maar als teken van menselijke grootheid. Het gaat hem niet om inzicht in de grond van het leven, maar om het aanboren van levensdriften.
Volgens Kant reveleert het sublieme de superioriteit van de praktische rede; volgens Arthur draait het om het tragisch besef dat ons bestaan niet het enige perspectief is.
Nietzsche gaat van appreciatie (Kant) en contemplatie (Arthur) naar affirmatie.
‘Zowel Schopenhauer als Nietzsche heeft de filosofie van Plato grondig bestudeerd. Beide denkers reageren elk op hun manier op Plato’s verwerping van de kunst en de literatuur. Schopenhauer en Nietzsche gaan ervan uit dat kunstwerken uiteindelijk uit redeloze driften voortkomen en ook de emotionele, affectieve en duistere facetten van mens en wereld kunnen oproepen. Volgens Schopenhauer biedt de omgang met een kunstwerk de mogelijkheid om ons zuiver contemplatief te verhouden tot de Ideeën die het kunstwerk uitdrukt en zo de chaos op afstand te houden, zodat wij er niet door worden getraumatiseerd. Volgens Nietzsche schenk kunst ons echter de kracht om de zinloze chaos uit te houden en zelfs te affirmeren.’ (14)