Losse notities

Ascetisme

Er is een verschil tussen ascese (ethisch) en kunst (esthetisch). 1

Betere bewustzijn

‘Onder de invloed van Plato en de Upanishads karakteriseert de jonge Schopenhauer de esthetische ervaring als het betere bewustzijn (das bessere Bewusstsein): een gelukzalige gemoedstoestand die de alledaagse ervaring, die door verveling of lijden wordt gekenmerkt omdat ze door de wil en zijn frustraties word bepaald, overstijgt.’ 2

De wereld als wil en voorstelling

‘Dit fascinerende boek is een van de belangrijkste filosofische boeken in de geschiedenis van de filosofie.’ 3

Kunst

Het is geen toeval dat Arthur veel aandacht schenkt aan kunst, omdat die ons juist confronteert met onredelijkheid. 4

Plato verzette zich tegen kunst, omdat die particuliere afbeeldingen biedt, terwijl men moet zoeken naar universele Vormen; Arthur zegt juist dat kunst die Ideeën afbeeldt (al ziet hij ze niet als wezenlijke bestanddelen van de werkelijkheid, maar als objectivatievormen van de redeloze oergrond.) 5

‘Op het gebied van de fenomenologie van de esthetische ervaring overtreft Schopenhauer Kant in ieder geval. Zijn beschrijvingen van wat zich precies voordoet wanneer iemand esthetisch contempleert, behoren tot het beste van wat de westerse filosofie daarover te bieden heeft.’ 6

Kunst heeft bij Arthur in de eerste plaats een filosofische betekenis. 7

Kunst is bij Arthur wel degelijk affectief. 8

Kunst is objectief, omdat het een ontpersoonlijkte blik biedt. 9

Kunst koppelt ons, volgens Vandenabeele, nooit helemaal los van onze eigen wil. 10

‘In de esthetische contemplatie ben ik in staat om mij van mijn wil te verwijderen – ik wordt een willoos subject van het kennen – maar ook om inzicht in (voorstellingen van) de wil te verwerven.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.38.

Esthetisch genot heeft een negatief (vrij van wil) en positief (inzicht in de idee) aspect. 

‘Schopenhauers beschrijving van de esthetische beleving zou men sterk vereenvoudigd kunnen samenvatten als willoze contemplatie zonder enige inmenging van begrippen.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.40.

Muziek

Muziek is voor Arthur de hoogste kunst, omdat ze de wil ‘onmiddellijk’ manifesteert. 11

Nietzsche

Dionysis en Apollo zijn geïnspireerd op wil en voorstelling. 12

Objectiviteit

Kunst is objectief, omdat het een ontpersoonlijkte blik biedt. 9

Rede

Wijzen op de beperkte macht van de rede is niet hetzelfde als het afwijzen van de rede. 14

Sublieme

Volgens Kant reveleert het sublieme de superioriteit van de (praktische) rede; volgens Arthur draait het om het tragisch besef dat ons bestaan niet het enige perspectief is. 15

Transcendentaal idealisme

‘Wat wij kennen en weten is niet zomaar een passieve weerspiegeling van een volledig onafhankelijke buitenwereld. Het kennende subject (met zijn zintuigen, aanschouwingsvormen en verstandsbegrippen) is een a-priorivoorwaarde om de wereld te kunnen kennen.’ 16

‘[…] dat wil zeggen de gedachte dat het subject de universele voorwaarde is van al wat verschijnt, en altijd voorondersteld is.’ 17

  1. ‘Zoals ik elders uitvoerig heb aangetoond, is er echter een groot verschil tussen de ascese, die Schopenhauer als een ethische houding beschouwt, en de kunst die tot het esthetisch domein behoord (cf. Vandenabeele, 2001). Het is overhaastig om de kunst zonder meer tot een voorbode van of voorbereiding op de ascese te herleiden. Een asceet is iemand die de wil tot leven probeert af te zweren. Een kunstenaar probeert het wezen van de wil tot leven uit te drukken of weer te geven.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.34. ↩︎
  2. Vandenabeele, Bart (2025) p.28. ↩︎
  3. Vandenabeele, Bart (2025) p.24. ↩︎
  4. ‘Zowel Schopenhauer als Nietzsche besteedt veel aandacht aan kunst en literatuur, en dat is geen toeval. Het fascinerende van veel kunstwerken is precies dat ze ons confronteren met de onmacht van de rede en met de driftmatige, verontrustende en onbeheersbare dimensies van het menselijk bestaan.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.13. ↩︎
  5. Vandenabeele, Bart (2025) p.15. ↩︎
  6. Vandenabeele, Bart (2025) p.19. ↩︎
  7. ‘Bij Schopenhauer heeft kunst in de eerste plaats een filosofische betekenis: inzicht verschaffen in wat de wereld uiteindelijk is, namelijk een redeloze, blinde drift of wil. In de beeldende en literaire kunsten gebeurt dat indirect: via de merkwaardige omweg van platonische Ideeën. In de muziek echter manifesteert de wil zich veel directer en worden wij ook daadwerkelijk emotioneel getroffen. Het affectieve speelt dus (in tegenstelling tot wat men dikwijls beweert) een cruciale rol bij Schopenhauer. De kunst die het meest rechtstreeks gevoelens oproept – de minst ‘geestelijke’ van alle kunsten – is volgens hem de hoogste kunst. De muziek manifesteert de wil op een ‘onmiddellijke’ manier, dat wil zeggen zonder de bemiddeling van de platonische Ideeën. Dat verklaart Schopenhauer vanuit de innige verwantschap tussen de dynamiek van de melodie en van de wil (cf. infra). Terwijl die ongebreidelde dynamiek in de poëzie nog door de taal gestold wordt en in de beeldende kunsten in beelden gevangen zit, is het de muziek die erin slaagt om ons in contact te brengen met de wil tot leven, maar zonder dat wij erdoor worden getraumatiseerd – integendeel, we kunnen er esthetisch van genieten.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.34. ↩︎
  8. ‘In de beeldende en literaire kunsten gebeurt dat indirect: via de merkwaardige omweg van platonische Ideeën. In de muziek echter manifesteert de wil zich veel directer en worden wij ook daadwerkelijk emotioneel getroffen. Het affectieve speelt dus (in tegenstelling tot wat men dikwijls beweert) een cruciale rol bij Schopenhauer. De kunst die het meest rechtstreeks gevoelens oproept – de minst ‘geestelijke’ van alle kunsten – is volgens hem de hoogste kunst.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.34. ↩︎
  9. ‘Wij veranderen in een zuiver, belangeloos kensubject dat niet meer op de eigen verlangens en interesses is betrokken en de dingen vrij en ongedwongen aanschouwt. Wij zijn niet langer willende (begerige, verlangende, emotionele) individuen en worden zuiver objectief. Wij bekleden als het ware een view from nowhere. Wij worden de onpersoonlijke toeschouwer van ons eigen ik, van onze persoonlijke gevoelens, verlangens en wensen, en eveneens van het object dat ons in de ban houdt. Dit is de willoosheid of belangeloosheid van het esthetische contempleren: wat gewoonlijk zo belangrijk is voor mij als individu, houdt tijdelijk op van belang te zijn. Ik word geconfronteerd met iets dat belangrijker is dan mijzelf: het kunstwerk. Vandaar dat Schopenhauer over objectiviteit spreekt: de esthetische contemplatie is een ‘ontpersoonlijkte’ vorm van waarnemen: ik ben in staat om het eeuwige, tijdeloze wezen van het object te kennen (de platonische Idee) en om dat wezen op een serene manier te aanschouwen, zonder dat mijn zelfzuchtige verlangens, behoeften, belangen en emoties de esthetische contemplatie verstoren.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.36. ↩︎
  10. ‘In de esthetische contemplatie beleef ik mijn emoties op een ont-persoonlijkte manier. De esthetische toeschouwer is echter geen mysticus of asceet, want de wil van het individu dooft niet uit bij het contempleren van schoonheid, maar domineert tijdelijk mijn bewustzijn niet. Schopenhauer overschat echter de loskoppeling van de persoonlijke verlangens en emoties. Tijdens de esthetische aanschouwing grijpt weliswaar een radicale perspectiefwisseling plaats, maar – in tegenstelling tot wat Schopenhauer suggereert – blijft er een band bestaan met de belangen en begeerten van onze wil – ook al beheerst onze wil ons bewustzijn even niet. Er is inderdaad sprake van een ‘opgaan in’ wat mij esthetisch treft; het schone biedt een fusionele ervaring; wij versmelten als het ware met het esthetische object. Wat Schopenhauer echter te weinig beklemtoont, is dat wij nooit geheel loskomen van onze persoonlijke verlangens en interesses. Tijdens de esthetische contemplatie blijft de band met de individuele gevoelens, verlangens en belangen tot op zekere hoogte bewaard en de band ermee of de terugkoppeling ernaar kan ons esthetisch genot zelfs intensiveren.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.37. ↩︎
  11. ‘Bij Schopenhauer heeft kunst in de eerste plaats een filosofische betekenis: inzicht verschaffen in wat de wereld uiteindelijk is, namelijk een redeloze, blinde drift of wil. In de beeldende en literaire kunsten gebeurt dat indirect: via de merkwaardige omweg van platonische Ideeën. In de muziek echter manifesteert de wil zich veel directer en worden wij ook daadwerkelijk emotioneel getroffen. Het affectieve speelt dus (in tegenstelling tot wat men dikwijls beweert) een cruciale rol bij Schopenhauer. De kunst die het meest rechtstreeks gevoelens oproept – de minst ‘geestelijke’ van alle kunsten – is volgens hem de hoogste kunst. De muziek manifesteert de wil op een ‘onmiddellijke’ manier, dat wil zeggen zonder de bemiddeling van de platonische Ideeën. Dat verklaart Schopenhauer vanuit de innige verwantschap tussen de dynamiek van de melodie en van de wil (cf. infra). Terwijl die ongebreidelde dynamiek in de poëzie nog door de taal gestold wordt en in de beeldende kunsten in beelden gevangen zit, is het de muziek die erin slaagt om ons in contact te brengen met de wil tot leven, maar zonder dat wij erdoor worden getraumatiseerd – integendeel, we kunnen er esthetisch van genieten.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.34. ↩︎
  12. ‘Dionysis is Apollo’s tegenpool: de eerste staat voor gruwel, duisternis, mateloosheid en chaos; de tweede voor sereniteit, licht, maat en orde. De tegenstelling tussen het dionysische en het apollinische, die GT schraagt, is zonder twijfel geïnspireerd op Schopenhauers onderscheid tussen de wil (de zinloze drang die de wereld beheerst) en de voorstellingen (het geheel van onderscheiden verschijnselen die samen de empirische wereld vormen).’ – Vandenabeele, Bart (2025). p.70. ↩︎
  13. ‘Wij veranderen in een zuiver, belangeloos kensubject dat niet meer op de eigen verlangens en interesses is betrokken en de dingen vrij en ongedwongen aanschouwt. Wij zijn niet langer willende (begerige, verlangende, emotionele) individuen en worden zuiver objectief. Wij bekleden als het ware een view from nowhere. Wij worden de onpersoonlijke toeschouwer van ons eigen ik, van onze persoonlijke gevoelens, verlangens en wensen, en eveneens van het object dat ons in de ban houdt. Dit is de willoosheid of belangeloosheid van het esthetische contempleren: wat gewoonlijk zo belangrijk is voor mij als individu, houdt tijdelijk op van belang te zijn. Ik word geconfronteerd met iets dat belangrijker is dan mijzelf: het kunstwerk. Vandaar dat Schopenhauer over objectiviteit spreekt: de esthetische contemplatie is een ‘ontpersoonlijkte’ vorm van waarnemen: ik ben in staat om het eeuwige, tijdeloze wezen van het object te kennen (de platonische Idee) en om dat wezen op een serene manier te aanschouwen, zonder dat mijn zelfzuchtige verlangens, behoeften, belangen en emoties de esthetische contemplatie verstoren.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.36. ↩︎
  14. ‘Volgens Schopenhauer en Nietzsche is het leven een chaotisch mengsel van blinde krachten en geen redelijk geordende samenhang. Er gaapt een kloof tussen het leven en de rede. […] Hier zonder meer een pleidooi in zien voor onredelijkheid, duisterheid of anarchie is evenwel totaal misplaatst. Ofschoon Schopenhauer en Nietzsche overtuigd zijn van de chaotische aard van het bestaan, geven zij als filosoof het geloof in de waarheid niet op. Het is overigens rationeler om de onredelijkheid van iets voor het voetlicht te brengen, dan er (bijvoorbeeld uit adoratie voor de rede) blind voor te blijven. Wijzen op de beperkte macht van de rede hoeft niet onredelijk te zijn.’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.13. ↩︎
  15. ‘Het sublieme reveleert volgens Kant de superioriteit van de (praktische) rede. […] Volgens Schopenhauer biedt het sublieme echter de mogelijkheid om ons contemplatief te verhouden tot wat ons als nietig, willend individu bedreigt. De morele waarde van het sublieme huist niet in het ontdekken van de superioriteit van de rede, maar in het tragische besef dat mijn bestaan als individu, dat volledig door mijn verlangens en emoties wordt bepaald, niet het enige mogelijke perspectief is. In ontzagwekkende omgevingen is het mogelijk dat ik zelfs de afschrikwekkendste verschijnselen als een onbewogen, zuiver subject – als een ‘zuiver wereldoog’ – contempleer. Ook zuivere schoonheid bewerktstelligt een transformatie van willend individu naar zuiver kennend subject, maar in het sublieme beleef ik het contrast tussen deze beide polen van de menselijke subjectiviteit[.]’ – Vandenabeele, Bart (2025) p.20. ↩︎
  16. Vandenabeele, Bart (2025) p.17. ↩︎
  17. Vandenabeele, Bart (2025) p.27. ↩︎